Voorwoord

Terug van nooit weggeweest 
Al eeuwenlang is de Odyssee van Homerus een boek dat mensen fascineert en inspireert. We zien het als een klassiek literair werk, of als een spannend reisverhaal. Waarom ik dit boek heb willen schrijven is niet alleen om het plezier dat ik aan het verhaal van Odysseus beleef, maar vooral om uit de doeken te doen dat het boek een leidraad kan zijn voor mensen die op zoek zijn naar blijvend geluk, je wezenlijke natuur. Voor mij is de Odyssee een kompas geweest om dat geluk in mijzelf te vinden. Het bijzondere van de Odyssee is dat niet alleen de thuisreis beschreven is, maar ook hoe je thuis moet blijven, om uiteindelijk te zien dat je nooit bent weggeweest. Dat is voor mij de essentie van het verhaal. Jammer genoeg is die boodschap in de loop van de tijd verloren gegaan.

Van jongs af aan ben ik door het verhaal geboeid. In eerste instantie om de spannende, pikante verhalen van een Odysseus, die ik destijds maar een huichelaar vond. Hij beweert immers op weg te zijn naar huis, vrouw en kind, maar onderweg plundert, verkracht en moordt hij erop los en gaat hij vreemd bij het leven. Als hij na al zijn omzwervingen thuiskomt en een huis vol vrijers aantreft die met zijn vrouw Penelope willen trouwen, blijkt zíj hem al die tijd trouw te zijn gebleven. Het heeft lang geduurd voordat ik begreep dat Odysseus maar een gewoon mens is die alle fouten maakt die er te maken zijn, maar desondanks uiteindelijk thuiskomt.

Alle fouten maken en toch thuiskomen: het is ook mijn weg geweest en dat is de reden dat ik mijn uitleg van het verhaal wil delen met hen die geloven dat blijvend geluk of thuiskomen onbereikbaar is. Velen kunnen zich erin herkennen en het verhaal kan een handreiking zijn om de talloze hindernissen, die we op zoek naar blijvend geluk tegenkomen, te kunnen nemen. Maar het kan mensen ook choqueren als ze de ideeën en zekerheden van hun bestaan zien afbrokkelen, of het kan zijn dat ze de uitleg niet meer kunnen of durven begrijpen. Ik hoop dat de lezer dan van Odysseus kan leren dat hij met ‘volgen’ verder komt dan met ‘begrijpen’. Begrijpen heeft iets beperkts en volgen geeft ongelimiteerde mogelijkheden, die het denken niet kan overzien; want dat denken scheept ons af en houdt ons begrensd. Als we lezen dat Odysseus steeds alles met zijn verstand wil begrijpen en die hindernis uiteindelijk toch kan passeren, kan dat een opening zijn naar een kijk op een leven dat alle voorstellingen te boven gaat. Toen ik in 1980 mijn mentor Wolter Keers mocht ontmoeten, had ik er geen flauw benul van dat hij nu juist de man was die mij, aan de hand van zijn eigen zoektocht met zijn Indiase mentor, de code gaf waarmee ik veel later het cryptogram van Odysseus’ avonturen mocht kraken. Die code is de advaita-vedanta en stamt – voorzover je dat uit boeken kunt halen – uit dezelfde tijd als het werk van Homerus, zo’n drieduizend jaar geleden. In India is de ‘reis naar huis’ altijd ongecensureerd beschikbaar gebleven en niet, zoals in onze westerse cultuur, zoekgeraakt of op zijn minst ondergronds gegaan. Toch moeten de oude Grieken ook vóór Homerus eeuwenlang dat thuiskomen in hun cultuur hebben gekend en bewaard. Het was pas aan het einde van mijn eigen reis via de weg van advaita-vedanta, dat de Odyssee spontaan helemaal ‘openklapte’, mij het wezenlijke verhaal zichtbaar maakte en ik de uitnodiging om gelukkig te zijn ‘in eigen huis’ mocht aannemen. De hele reis van Odysseus voert van dualiteit naar non-dualiteit, ofwel van een leven waarin afgescheidenheid ervaren wordt vanuit een ikje dat de boventoon voert naar een leven van eenheid zoals in de eerste drie levensjaren, voordat er een ‘ik’ of een ‘jij’, een ‘binnen’ of een ‘buiten’ geboren werd. Zelfrealisatie is leven zonder ego en dus zonder verlangens; het leven nemen zoals het komt met zijn pieken en dalen. Thuiskomen is het doorzien en passeren van alles wat tijdelijk en veranderlijk is. Dan pas vind je de essentie, het blijvend geluk dat elk moment moeiteloos binnen handbereik blijkt te zijn. Als je in dit boek iets tegenkomt wat je niet begrijpt, probeer dan voor ogen te houden dat zowel Odysseus als ik er twintig jaar over hebben gedaan om de reis naar huis te maken en dat je dit dus niet door het lezen van een boek zelf op slag kunt ervaren. Om de waarheid te ont-dekken, kan ik je toch geruststellen: zo’n lange en moeizame reis hoeft niet. Dit boek is een uitnodiging om het als kompas op jouw unieke weg te gebruiken. Ook jij kunt naar huis, elke hindernis is denkbeeldig, want de ‘jij’ die je werkelijk bent, het zelf, heeft al bij voorbaat alle hindernissen genomen. Het zelf heeft zelfs geen ik-gevoel nodig. Het heeft letterlijk ‘niets’ nodig om te zijn. Dat niets nodig hebben is het blijvende geluk, de zoete wind die we zoeken, maar waarin we altijd al blijken te wonen, hebben gewoond en zullen wonen. Uiteindelijk zul je ontdekken dat je nooit bent weggeweest. 

Jan van Delden
Najaar 2003


10
De runderen van Helios – De waan van tijd

Na het jammerlijke schouwspel van de door Skylla verslonden manschappen komt Odysseus met zijn schip aan bij het prachtige eiland Thrinakia, waar de runderen van de zonnegod Helios grazen. Odysseus wil het eiland liever mijden, indachtig de waarschuwingen van zowel Teiresias als Circe. Immers alleen wanneer de zeven goddelijke kudden van vijftig runderen ongemoeid worden gelaten, kan hij met zijn manschappen thuiskomen. Maar de manschappen willen toch aan land om bij te komen van alle rampspoed. Ze zijn uitgeput en treuren om hun omgekomen makkers. Zij zweren geen rund aan te raken en krijgen Odysseus zover tenminste één nacht op het eiland door te brengen. Nog voor het aanbreken van de volgende dag steekt er echter een ongunstige wind op, die een maand lang zal aanhouden. Ze zijn met hun schip aan het eiland gekluisterd. De etensvoorraden raken snel op en de honger kan maar ten dele worden gestild met vis en gevogelte.

Odysseus is ten einde raad en zoekt een stille plek op om tot de goden te bidden. Misschien kan één van hen hem op weg naar huis helpen maar de goden doen hem in een zoete slaap verzinken. Zijn manschappen houden het intussen niet langer uit en worden het er samen over eens dat ze liever het risico lopen om de toorn van de goden over zich af te roepen en straks wellicht op zee in één klap aan hun eind te komen, dan ter plaatse een trage, ellendige hongerdood te moeten sterven. Tegelijkertijd proberen ze de goden gunstig te stemmen door hun jonge eikenbladeren te offeren en hun te beloven dat zij, als ze ooit thuiskomen, een tempel voor de god Helios op zullen richten.

~

In deze episode worden het verschil en de breuk tussen Odysseus en de rest van zijn manschappen onafwendbaar. Ze blijken niet de buigzaamheid van Odysseus te kunnen opbrengen om de voorspellingen van Teiresias en Circe te eerbiedigen en zijn ervan overtuigd dat het met de hongerdood voorgoed is afgelopen. Waarom zou je dan niet uitbundig gaan eten en erop los leven nu het nog kan en de zorgen over dat abstracte en wezenlijke ‘thuiskomen’ voor je uit schuiven? Het is Odysseus allemaal al voorspeld maar het doet hem toch veel pijn om te zien dat zijn eigen maten met wie hij zoveel heeft doorgemaakt niet dezelfde beleving en doel in het leven hebben als hij. In jouw leven doet dat zich voor wanneer je niet meer net zoals je vrienden en familie in het leven kunt staan. Meestal zien zij aan jou dat er iets aan je is veranderd. Het leven en zijn wereld zie je niet meer als iets wat blijvend geluk herbergt, maar je zoekt nu naar wat komt noch gaat en eeuwig is. Dat verandert je houding ten opzichte van wat je nog uit dit leven verlangt en de waarde die je eraan hecht. Je verliest je niet langer in het uitstippelen van je leven en de drang om iets in de wereld te bereiken. Ja, je regelt nog wel de dingen op je werk, voor je kinderen en je pensioen, maar dat wil niet zeggen dat je gelooft dat alles wat je plant ook echt gaat gebeuren. Hetzelfde geldt voor een droom. Daarin kan ook sprake zijn van een verleden en een morgen en kun je bijvoorbeeld door een ander beschuldigd worden van iets wat je al je hele leven doet terwijl het toch echt in die droom pas verschenen is en weer helemaal verdwijnt als de droom voorbij is. Vervolgens verschijnt er weer iets anders in je aandacht. Het doet pijn om te zien dat jij wel dat doel in je leven hebt en de rest van de geliefden om je heen niet. Het is moeilijk om je relatie, je familie en je vrienden over dat verschil te vertellen en hen te overtuigen om dat ook zelf te gaan onderzoeken. De meesten van ons zullen maar heel zelden iemand vinden met wie ze erover kunnen praten. Odysseus heeft nog wel Circe – de enige waarmee hij echt gelukkig kon zijn – verlaten om de wens van zijn manschappen die naar huis willen in te willigen. Het is pijnlijk om te zien dat voor hen ‘naar huis gaan’ iets totaal anders betekent dan voor hemzelf. Toch houdt hij van ze, maar hij begrijpt niet wat nu precies de oorzaak van dit uit elkaar groeien is.

Heel vaak zijn in deze fase van de reis de botsingen tussen jou en je omgeving een voortdurend terugkerend patroon en leer je steeds meer je mond te houden over je verschil van mening met hen over wat ‘thuis’ voor jou betekent. Hun ‘thuis’ is duidelijk: je leeft, je vermenigvuldigt je, je consumeert en sterft. Verder is er niets, of misschien iets vaags zoals een hel of een hemel waarin je – al naar gelang je daden – terechtkomt. Odysseus heeft zijn thuis in dat goddelijke jaar van vrede bij Circe geproefd. Na de dood van Elpenor kreeg hij de zekerheid dat die toestand met Circe de voorbode was van een eeuwig leven, ofwel het vinden van onze onveranderlijke essentie.